Over Godsbeelden - deel 4 -

De 19e eeuw

Vandaag alweer het op een na laatste deel in deze serie. Ik neem je mee naar de 19e eeuw. Filosofen als Marx, Darwin, Freud en Nietzsche wisten het Godsgeloof uit het centrum van de cultuur te verbannen. Een andere filosoof zei het als volgt: De Godsgedachte is een gevolg van de wensdroom van de mens. De mens kan immers de confrontatie met zijn eigen eindigheid en beperktheden niet aan. De mens wil geloven in een persoon die hijzelf niet kon zijn.

Freud vond het geloof in God een universele dwangneurose, een ziekelijke herinnering aan een verdrongen conflict uit de kindertijd van de mensheid. Marx achtte maatschappelijke en sociaal-economische factoren verantwoordelijk voor het geloof in God: er werd gezocht naar bevrijding vanuit de ellende van de uitbuiting door het heersende deel van de bevolking. Darwin was de grondlegger van de evolutietheorie en zette het geloof in God als Schepper onder druk.
Nietzsche werd de filosoof met de hamer genoemd. Hij rekende niet alleen af met God en geloof, maar ook met alle moraal en ethiek, met socialisme en democratie, ja met alles wat probeerde het bruisende leven en natuurlijke driften onder controle te krijgen. Nietzsche werd in zijn eigen eeuw niet begrepen. Pas in de 20ste eeuw is men hem als een geniaal denker gaan waarderen.

En de kerk? Die worstelde met deze Godsbeelden. Het staat bekend dat de kerk niet geheel onbeïnvloedbaar is door de Godsbeelden die in de dan geldende cultuur heersen.
Morgen het laatste deel. Dan maken we een reis terug van de 19e eeuw naar het heden.

Reacties

Populaire posts